Al bij het tweede nummer breekt een brede lach door bij Richard Janssen. De frontman is eindelijk verlost van het broodnodige moeten. En dan blijken de Fatal Flowers beter dan ooit.

Want daar zijn ze weer: een paar decennia later dan gehoopt, maar never nooit te laat, de heerlijke reünie-tour van de Fatal Flowers. De band met drie platen die allemaal in canon van de Nederlandse popmuziek horen. Bij verstek van een platenspeler thuis was Johnny D. is Back mijn tweede muziekcassette (na Big Country). Fatal Flowers is de stem van een generatie, vooral de mijne. Fatal Flowers is een band die ik decennia heb gekoesterd, maar die in 1990 ineens verdween omdat frontman Richard Janssen er geen fiducie meer in had. En dan nu een reünie, een hele tour zelfs. Het is niet helemaal duidelijk waarom, maar laat de ratio niet in de weg staan voor het diepe geluk om hier bij te mogen zijn.

Deze avond is ge-upgrade tot in de grote Ronda, want hier willen veel mensen bij zijn. Het maakt niet uit dat elke avond deze tour dezelfde set heeft, want voor het grote publiek aan devoten zijn alle nummer grote hits. De band trapt af met, hoe kan het ook anders, How many years, met natuurlijk de conclusie dat we er grotendeels allemaal wel weer staan, zij het met wat meer rimpels en littekens van het leven. Het is het begin van een rijtje nummers dat in een ander universum totale wereldhits zou zijn geweest.

Fatal Flowers speelt alsof de jaren van muzikaal gemis sinds 1990 alleen maar een pauze was, die nu weer wordt weggepoetst. De band speelt in klassieke bezetting en dan staat hier verdorie toch wel wat: Henk Jonkers is de beste drummer van Nederland (zie ook eerdere concerten met Hallo Venray), Robin Berlijn is een soort van nooit op de troon gehesen beste gitarist van Nederland, en Geert de Groot is de bassist die o.a. ook Claw Boys Claw stuwde. En Richard Janssen, waar was hij toch al die jaren? Ik heb hem nog wel eens aan het werk gezien met Shine en later met Ellen ten Damme, maar de eigen belofte was toch groter, want Richard was toch de golden boy van de Nederlandse muziek?

20190620_210351 - kopieZo raakten de Fatal Flowers uiteindelijk toch een tijdje in de vergetelheid. Elk gemis is een boek vol verhalen maar daar moeten we niet te lang bij stil staan. Het is vooral geweldig fijn om de Fatal Flowers in volle glorie weer te zien. Bovendien hebben ze (ogenschijnlijk) ook de oude gitaarversterkers nog meegebracht, een mooi stukje vintage op het podium.

Fatal Flowers heeft alleen maar goede nummers en het publiek bestaat uit fans en idolaten, maar dat betekent niet dat alles wat wordt aangeraakt ook goud is. Zo is de aanvullende organist wel even nodig bij extensie van Second Chance, en later ook bij Better Times. De geluidsman lijkt ook een paar nummers exit, als er steeds meer galm op de stem van Janssen komt. Dat is echt nergens voor nodig, want de Fatal Flowers zijn clean echt op hun best.

De Roxy Music-cover Both Ends Burning is dan weer verpletterend goed, maar het navolgende Speed of Life raakt weer teveel aan de vloek van mijn generatie, want het gelul in het publiek om mijn heen is tenenkrommend. Daar tegenover staat het superieure Younger Days, over opgroeien aan de Amsterdamsestraatweg, bij mij om de hoek verdorie! Ik had mij dat nooit gerealiseerd, maar we hebben een nieuw volkslied voor de buurt, jawel!

De toegift komt in twee rondes, met Johnny D. is back en natuurlijk Goodbye Dear Friends, maar het publiek weet Janssen te overreden tot een prachtig kale en kwetsbare encore. Ssst fluistert het publiek, en Where have all the flowers gone zingt Janssen, een klassieker van Marlène Dietrich, en alles van wat was en wat is en wat zal komen komt bij elkaar op deze gedenkwaardige avond.

20190620_205551

Advertenties

Na wat gehannes over kaartjes is de uitkomst vanavond zo dat ik mij bevind in een zaal vol mede-veertigers, die reikhalzend uitkijken naar dEUS. dEUS! De artrockband die consequent hoofdletters en kleine letters verwart, de aanvoerders van de Belgische bries die in de jaren negentig en nul over de lage landen woei, de band die dankzij talloze afsplitsingen een scene op zichzelf werd. dEUS had onnoemlijk veel fans en voor velen daarvan is het inmiddels gekoesterd jeugdsentiment. Die setting wordt nog eens aangewakkerd door het thema van de avond: we vieren dat het succesalbum The Ideal Crash twintig jaar geleden verscheen, want, zoals Tom Barman zegt, “Het doet ons veel dat dit album u veel doet.”

Ik heb mezelf nooit tot de grote schare aanhangers van dEUS gerekend. Integendeel, zou ik haast zeggen, want deze band is me altijd veel te pretentieus geweest. dEUS is zo’n bovenmatig serieuze band, waarin het dédain het altijd lijkt te winnen van de ironie. dEUS lijkt altijd te streven naar totale controle, maar verdringt zo de ziel uit de kunst. Maar laten we de band niet op karakter beoordelen, maar op wat er vandaag op het podium wordt gezet.

En dat is me nogal wat. Where to begin? dEUS heeft niets verloren van zijn streven naar perfectie, maar al bij de eerste nummers blijkt de realiteit weerbarstig. Het geluid is slecht, Tom Barman die met opgeheven arm wacht tot een roadie een gitaar aangeeft is lachwekkend. Al bij het eerste nummer komt vrij onverwachts een horde dansers het podium op, voor een hossende choreografie. Dit doet nog het meest doet denken aan de vervelend lang uitgesponnen dansscene uit Anyway the Wind Blows, de film van Barman uit 2003. Waarom?! Dit is als confetti in je bier. Ze komen nog een paar keer terug ook.

Geleidelijk komt dEUS wel beter op gang. Vooral de waarlijk dampende uitvoering van titelnummer The Ideal Crash is echt heel goed. Verder is het allemaal heel prima en degelijk. dEUS vraagt geen liefde, maar respect, en krijgt die ook volop, want het krediet is eindeloos. Wat kun je er eigenlijk ook op tegen hebben? Nou, dit misschien: dEUS is als Starbucks, terwijl je eigenlijk een authentiek bak zwarte pleur wil. dEUS is als een artikel in de Linda, terwijl je eigenlijk een goed stuk literatuur in gedachten had. dEUS is als Heineken icebeer, een kil surrogaat voor een lekkere pul ongefilterd thuisgebrouwen bier. Het is de soundtrack voor de gentrificatie, waarin makelaars en conceptontwikkelaars zich de vrije bohémiens van de 21e eeuw wanen. dEUS is uiteindelijk vooral een muzikaal concept, een sjabloon voor indie artpop bandjes.

Ik geloof direct dat het vanavond voor de fans een prachtige avond is geweest. Als jeugdsentiment functioneert het ook allemaal prima en de binnenkort te verschijnen nieuwe plaat zal ook wel weer gretig aftrek vinden. Maar Darth Faber heeft moeite om bij deze gladjakkers de ziel te ontdekken. Het vage idee van ‘urgentie’ dringt zich op, en dan vooral het gebrek er aan. De gelukkige keerzijde daarvan is dat het allemaal ook niet al te opdringerig is, en dus niet in de weg zit voor een prima avond. Maar niet eentje die nog lang in het geheugen na zal galmen.

De beste rock ’n roll wordt niet gemaakt met orkestrale bombast, maar volgt de essentie: gitaar, bas, drum. En vooral: tijdloos goede nummers. Zie hier de ingrediënten van een uitstekend avondje Ron Gallo.

Ron Gallo heeft in korte tijd drie uitstekende albums uitgepoept. De urgentie zit hoog bij hem en je voelt het ook meteen: hier gebeurt iets. Ekko heeft er een prachtige aankondiging voor bedacht: garagefilosoof uit Nashville met introspectieve feestplaat. En verdomd, dat zit er allemaal in.

Echt goede, puntige, tijdloze rock ’n roll-liedjes, dat horen we niet zo vaak. De essentie van heel een gevoelsleven in een paar akkoorden, dat is verdomd moeilijk. Greg Carter van Reigning Sound kan het, en Ron Gallo kan het: nummers zoals de Stones die al decennia niet meer maken. Ron Gallo is introspectief in zijn teksten en lyrisch in zijn muziek. Het is een parel die nog ontdekt moet worden, want Ekko is maar half vol. Maar mind you, want Gallo speelt met zekerheid straks menig festival plat.

Het is ongecompliceerde rock rechtstreeks uit de garage, met Ron relaxed in zijn tuinbroek, een fijne pompende ritmesectie en mooi aanvullende tweede stem van de bassist. Het is wel doodzonde dat de zang van Ron zelf verzuipt in galm. Het zal wel een artistieke keuze zijn, maar het is nergens voor nodig, want hij zingt er veel te goed voor. Bovendien versta je zo zijn geweldige teksten niet, zoals bijv. de geweldige aanklacht tegen gezapigheid in All of the punks are domesticated (alleen die titel al!). Zo rond het vijfde nummer trekt Gallo een stelletje lookalikes het podium op om een nummertje te doen. Meteen gaat de galm er af, en verdomd, dat klinkt geluidstechnisch aanmerkelijk beter! Sowieso spelen deze gasten heel goed. Wie zijn dit?

Wat blijft hangen is dat Ron Gallo in een uurtje de hele rockgeschiedenis omvat. Ron Gallo grijpt terug op de Stones en de Kinks, hij vindt inspiratie in Jon Spencer en The Oblivians, en hij steelt het vuur van Ty Segall. Maar veel belangrijker nog: Ron Gallo kneedt uit dit verleden een meer dan zonnige toekomst voor de rock ’n roll. Yeah!

In de Brusselse Kruidentuin staat het prachtige barokke gebouw van de Botanique. Lange gangen omzoomd met waterpartijen, er is een fijne bar en uitstekende eetgelegenheid, en vanaf een breed balkon kun je, hangend over een muurtje, mijmeren op het uitzicht over het park, een rustpunt in het hectische Brussel. De Botanique is een cultuurcentrum zonder weerga, met drie concertzalen, een filmzaal, een bibliotheek zelfs. Onder de hoge koepel vinden we de Rotonde, misschien wel de mooiste concertzaal die er is. Ik ben gezegend, want vanavond speelt hier ook nog eens These New Puritans.

Voorprogramma is Scintii, afkomstig uit Taiwan en gesetteld in de clubscene van Shanghai. Ze brengt ons een soort filmmuziek voor nog niet gemaakte films, op het snijvlak van romantiek en suspense. Scintii speelt solo, met veel loopjes en gekke breaks uit de computer, daaroverheen haar mysterieuze en toch warme stemgeluid. De sound is behoorlijk nineties, diep gedrenkt in de triphop, met meer dan een snufje breakbeat.

De Rotonde is wat drukker als These New Puritans begint, maar veel meer dan 250 mensen zullen er niet zijn. Onlangs kwam de nieuwe plaat Inside the Rose uit, eerste plaat in bijna zes jaar, en net als bij de vorige platen wijkt ook deze volledig af van de voorgaande. TNP laat zich niet pakken op een ander genre dan het muzikale avontuur, gedreven door een onuitputtelijke kunstzinnige experimenteerdrift. Inside the Rose werd aangekondigd als hun “meest commerciële plaat ooit”, maar in de discografie van TNP is dat nogal een betrekkelijk statement. Niettemin: toegankelijk is het zeker, want naast experimenteel is het toch ook sereen en poëtisch. Het is minder vaag dan voorgaand werk, maar toch ook niet erg specifiek, zo schrijft Pitchfork. These New Puritans laten zich moeilijk ergens mee vergelijken, misschien alleen met Bark Psychosis (zanger Graham Sutton is dan ook producer van TNP), founding fathers van de postrock, maar These New Puritans zijn dan weer meer postclassic, zogezegd. Dit is music for the mods, niet alleen in geluid, maar meer nog in de uitstraling en de looks.

Dat levert een bijzonder interessante liveset op. De kern van These New Puritans bestaat uit de tweelingbroers Jack en George Barnett, respectievelijk zanger en drummer (en nog vele instrumenten meer), aangevuld met twee muzikanten waarvan ik de naam ben vergeten. Bij de platenverkoop zag ik ze ook niet terug.

TNP schuwt de electronica bepaald niet, zo wordt meteen al duidelijk bij eerste nummer A-R-P, maar daarna komt er steeds meer kleur in. De meest complexe arrangementen worden met griezelige perfectie gespeeld, zonder dat het ook maar één moment technisch en kil wordt. Op enig moment hoor ik de drummer een soort van pi-kwartsmaat slaan, terwijl de vibrafoon een ritme aangeeft waarin snare, synths en een gordijn aan metalen kettingen precies inpassen. Bij Three Thousand spelen drie van de vier muzikanten op allerhande percussie, razend strak.

De nieuwe nummers bieden duidelijk nog niet aan iedereen houvast, dus het is een juichende herkenning als halverwege We Want War van de plaat Hidden voorbij komt. Bij dit soort uptempo (en bijv. ook bij Into the Fire) klinkt Jack Barnett in zijn dictie haast als Karl Hyde van Underworld, terwijl hij op andere momenten een klassiek geschoolde zoon van Brendan Perry zou kunnen zijn.

Ver in de tweede helft van de set komt ook Scintii weer meedoen, voor extra kleur en warmte. Daarmee komt ook Scintii zelf beter tot haar recht dan eerder met haar solo-set. In de toegift komt ze ook weer terug. Afsluiter is het hektische Attack Music, niet het meest typische nummer van These New Puritans, maar wel bijzonder lekker om mee naar huis te gaan. Wat een muzikaal avontuur was dit!

Bob Fosko begint met de aankondiging dat hij net even in een chemovrije week zit, maar wel mag spelen van de dokter. Het klinkt luchtig, maar dat is het natuurlijk niet, want van binnen zit de slokdarmkanker. Maar De Raggende Manne leggen zich daar niet zomaar bij neer. Want er is eindelijk weer een geweldige nieuwe plaat, en Bob rust niet voordat hij dat iedereen in zijn gezicht heeft geschreeuwd.

Foto’s: Anne Marie van Rijn

2019-03-23 De Raggende Mannen-de Helling Anne-Marie van Rijn 055

Aftrap is Zand, van Brandende Vlierbessen. Dat is een mooie binnenkomer, want dit is direct een staalkaart van alles wat De Raggende Manne zo goed maakt: een ondergrond van broeierige jazzpunk, ontsporende gitaren, razend tempo, schreeuwende woede en teksten die Jules Deelder niet zouden misstaan. Later in de set zit het bloedstollend mooie Bonnetje, een schreeuw van teenage angst zoals eigenlijk alleen Dinosaur jr. en Armand dat ook konden:

Je ouders vinden me niets
Ik heb geen auto maar een fiets
Jij bent klein en ik zo lang
Van geschreeuw word ik al bang
Maar grijp m’n hand
Grijp mijn uitgestoken hand

De Raggende Manne worden al te vaak gelabeld onder pretpunk of meligheid, getuige ook de lollige opblaaslul die door het publiek gaat. Maar vergis je niet, dit is poëzie. Naadloos in het oeuvre past de nieuwe plaat, ‘Alles Kleeft!’, behoudens een EP-tje de eerste in een jaar of twintig. KNEET is een prachtige ode aan de meest raggende wielrenner aller tijden. Titelnummer ALLES KLEEFT balt alle woede in anderhalve minuut: jij bent hier geweest, ik zie het, ik voel het, alles kleeft!

2019-03-23 De Raggende Mannen-de Helling Anne-Marie van Rijn 028

Bob Fosko is redelijk bij stem, vooral de timing is griezelig perfect, maar de energie is natuurlijk wel minder dan het ooit was. Daarom is er wat hulp ingeschakeld, om Fosko af en toe wat rust te gunnen. En dat zijn niet de minste. Pierre van Duijl (Dopegezinde Gemeente, eerder ook al met Fosko in Gorelev) doet onder meer Grote Bek, good old Frederique Spigt doet Lullen bij de bus en Bloedeloos, en Colin Linnekamp, die klinkt als een metalzanger maar uit het theater (Zoutmus) komt, schreeuwt Het rijdt niet met een strot vol smerigheid.

Zo is het een meer dan gevarieerde avond, zeker als iedereen voor de toegift nog eens samen het podium deelt, met Van Duijl op accordeon, voor een fraaie versie van De Fles. En omdat afscheid moeilijk is proosten we samen, en vooruit nog eentje dan, want Nee’s niks om zomaar naar huis te gaan. Het ga je goed, Bob.

2019-03-23 De Raggende Mannen-de Helling Anne-Marie van Rijn 122

De tijd dat je uren op een band moest wachten totdat het behaagde om het podium te betreden ligt al lang achter ons. Sólstafir begint op de seconde af op tijd om kwart over acht voor wat een mooie lange set gaat worden.

Vanavond is aangekondigd als speciale editie, want Sólstafir heeft een kwartet strijkers meegenomen om het toch al niet van bombast gespeende geluid nog wat meer orkestraal effect mee te geven. Het is aanvankelijk even zoeken naar hoe dit uitpakt. Het eerste nummer is qua geluid nog wat dicht geplamuurd, waarin de strijkers al gauw het onderspit delven. Ook het licht moet nog even calibreren, want de merchstand naast het podium is scherper uitgelicht dan het podium zelf. Maar al snel ontstaat er meer ruimte voor de de violen en de cello, en voor de epische variaties van de band zelf. Hier is een prachtige avond in de maak.

Sólstafir zit natuurlijk niet verlegen om geweldige prijsnummers als Ótta, Lágnætti en Fjara, waar het publiek lekker mee kan luchtgitaren. Nummers van Sólstafir tikken gauw een minuut of tien, breed uitwaaierende verhalen vol van vikingreferenties en middeleeuwse heldhaftigheid. Game of Thrones is nooit ver weg, en Fields of the Nephilim for that matter ook niet.

Na pakweg drie kwartier is het vrij plotseling ‘thank you’, de band gaat weg en een film, the Raven Flies, wordt ingezet. Een paar jaar geleden speelde Sólstafir op Roadburn de soundtrack van deze IJslandse film, maar deze keer moeten we het met de beelden en zonder muziek doen. En dan is het voor veel mensen toch een wat vreemde pauze. Er wordt een zilverschat gestolen, er wordt minne zaak gemaakt over de buit, er valt den aantal doden, maar al dit middeleeuwse gedoe kan toch niet echt boeien. Het geouwehoer is niet van de lucht.

Dit intermezzo duurt een kwartier en dat is net iets te lang, want hierna kan Sólstafir weer opnieuw beginnen. De eerste kastanjes worden uit het vuur gehaald door het strijkkwartet en dat doen ze vrij aardig. Daarna komt de band terug Lægnetti. Prima publiekskraker, maar voor een nummer dat het van de vertraging moet hebben net iets te snel gespeeld. Maar dat is mierenneukerij, een hoog gelegde lat voor een band die toch al dicht tegen de perfectie aan speelt. Wat volgt is een uitmuntende versie van Hvít Sæng (met heerlijk basloopje), de prachtige ode Necrologue en een oneindig lange meeklapversie van Fjara. Sólstafir heb ik eerder wel eens wat zien klooien met geluid en concentratie, maar ditmaal zijn ze zeer op hun gemak. Wat zeg ik: Sólstafir heerst. Addi grimast tijdens zijn gitaarspel, maar zoekt tussendoor ook telkens weer contact met het publiek, zonder veel te hoeven zeggen. Af en toe wijst hij naar iemand, en we all feel special. Hij is geen heel groot zanger, maar tsjonge, toch wel een zeer begenadigd frontman.

Na de lange toegiften is er haast ongemerkt twee uur voorbij gegaan, een epische avond met pakweg tien nummers, verdeeld over alle albums. Sólstafir is uitgegroeid tot een van de meest fascinerende livebands van nu.

Brendan Perry is de beste vertolker van Tim Buckley sinds Tim Buckley

Dead Can Dance leeft weer als nooit tevoren: in mei komen ze naar Utrecht, tussendoor doet Lisa Gerrard het Concertgebouw nog aan (samen met Mystères des Voix Bulgares), en vanavond is het Brendan Perry met zijn eigen show. Het is mij niet duidelijk wat precies de aanleiding is, want in de afgelopen jaren verscheen nauwelijks nieuw werk. Maakt ook verder niet uit, een grote vocalist als Perry is natuurlijk altijd welkom.

Perry speelt in perfecto hondermiljoenmiljard instrumenten, maar voor mij is hij toch vooral één van de meest begenadigde zangers van deze tijd. Vroeger sloeg ik bij DCD vooral aan op de hemelse zang van Gerrard, maar in de loop der tijd is me dat wat te esoterisch geworden, terwijl de bariton van Perry mij steeds meer pakt. Zijn stem is altijd herkenbaar, tijdloos van karakter en als vanzelf verhalen vertellend, met de galm er al ingebakken. Eén strofe van Perry vertelt meer dan een heel bijbelboek.

Vanavond in de Hertz is het een vrij rustieke setting, met Perry centraal zittend met een setje gitaren – het enige instrument dat hij zal spelen – en als extra muzikanten de Schotse zangeres en toetseniste Astrid Williamson, en bassist Richard Gale. Perry is naar zijn aard nogal introspectief en hij wisselt verder nauwelijks een woord met het publiek. Hoeft ook verder niet, het is vrijdagavond, iedereen is de hele week al suf geluld.

In de set horen we verschillende kanten van Perry. Zo is er een aantal rustige eigen nummers, wat beschouwelijk, haast ingetogen van aard. Het is warm en aangenaam, maar niet het meest spannende van deze avond. Severance van DCD, zo tegen het einde van de set, is natuurlijk wel een prachtig nummer, maar bij The Carnival is Over bekruipt mij ineens een ongemakkelijke rilling, het verdorie-gevoel naar een musical te luisteren. Van de easy bossanovanummers word ik ook niet heel vrolijk, al past dit wel bij de enorme vocale kracht van Perry.

Echt heel erg goed zijn dan weer de twee covers van Tim Buckley, de geweldige liedjessmid die perfect blijkt te passen bij de uitvoering Brendan Perry. Chase the Blues is echt een kippevelmoment, in zichzelf dit hele concert al waard. En ook Song to the Siren is van indrukwekkende schoonheid. Ja, zo hoort dit. Perry is de beste vertolker van Tim Buckley sinds Tim Buckley zelf. En zo slaat de vonk over, want we krijgen zowaar twee nummers toegift, een waardering van Perry voor het enthousiaste publiek.

20190301_214208.jpg

setlist: https://www.setlist.fm/setlist/brendan-perry/2019/tivolivredenburg-hertz-utrecht-netherlands-3392fcf1.html